|
Wij keerden in die winternacht
door verlaten wegen,
de woorden bleven in de keel
als ijs bevroren,
de volle maan kwam ons als
open wonde in de hemel voor
door wat ons op dat late uur
was overkomen.
Wij hebben overnieuw gezien
stilgevallen ogen,
ons kind dat wij een laatste keer
hebben gedragen,
terneergeslagen keken wij
en bleven weerloos achter bij
die lange winterslaap
zonder ontwaken.
Ten einde raad met ongeloof
vol van harteweeën
voor altijd was iets diep in ons
opgehouden,
zo keerden wij die nacht terug,
waarna wij zo van streek en zeer
elkaar de armen
toevertrouwden.
Huib
|