Toen jij je ogen had gesloten, zei ik een vriend
gelijk vaarwel, tot dan mijn muzikale held
en toeverlaat die plotseling ophield bron te zijn
van vreugde en innemende emotie.
In rouw van jou verscheurde ik zijn woorden.
Zijn halleluja's kon ik niet meer aan, hij sprak met
teveel stemmen tegelijk en was niet meer in staat
om pijn te doven. Ik brak met hem in bitterheid.
Misschien was ik jaloers omdat hij, zelfs na het
verlies van zoveel kinderen een overvloed aan
somberheid in passievolle klank had toongezet,
dat wonderlijk verbond van dood en feestelijkheid.
Na twaalf jaar overleven, heb ik hem weer ontmoet
en schrok verrast vooral van zijn zo goed
in het gehoor gelegen stiltes. Geenszins
was ik er al aan toe om hem volledig uit te horen
maar deze aarzeling verdween bij het besef dat
ik mezelf zo had verblind met de gedachte
dat afwezigheid niet mild kan zijn,
verwondend en genezend tegelijk.
Huib
|